Het onderzoek omvat zowel een inventarisatie van de meest actuele kennis en stand van zaken met betrekking tot de risico’s, effecten en handelingsperspectieven / (on)mogelijkheden voor incidentbestrijding bij incidenten en ongevallen met waterstofdragers tijdens transport, als het ontginnen van nieuwe kennis en inzichten en het identificeren van gebieden waar verdere kennisontwikkeling noodzakelijk is. Daarnaast is op basis van de bevindingen de voorkeursvolgorde uit de Kabinetsvisie Waterstofdragers getoetst.

  1. Het gaat hierbij om de volgende waterstofdragers: 
  2. Waterstof (gH2), gasvormig, onder (hoge) druk 2. Waterstof (LH2), gekoeld vloeibaar gemaakt 
  3. Ammoniak – warm – onder druk, in samengeperste vorm 
  4. Ammoniak – koud, gekoeld vloeibaar gemaakt 
  5. Methanol 
  6. Liquid Synthetic Methane (LSM) 
  7. Liquid Organic Hydrogen Carriers (LOHC’s) 
  8. Boorhydrides (natrium- en kaliumboorhydrides)

Per waterstofdrager wordt inzicht gegeven in de eigenschappen en gevaren van de betreffende stof. Vervolgens wordt per vervoermodaliteit (buis, water, spoor, weg) inzicht gegeven in mogelijke (realistische) scenario’s. De scenario’s helpen om binnen korte tijd veel informatie te verzamelen op basis waarvan inzage kan worden gegeven in het handelingsperspectief voor de incidentbestrijding van de brandweer. Het is gebaseerd op reeds beschikbare kennis, onderzoeken en scenario-uitwerkingen. Per scenario wordt op globale wijze beschreven wat er gebeurt en welke inzetmogelijkheden de brandweer heeft. Het onderzoek gaat niet in op het voorkomen van een incident, de vraag betreft uitsluitend het mogelijk effect in geval van een incident. 

Per modaliteit wordt kort ingezoomd op de kenmerken en wordt een globaal overzicht gegeven van de bestaande wet- en regelgeving voor vervoer, dit betreft doorgaans wet- en regelgeving in Europees en in geval van zeevaart internationaal verband. Deze wet- en regelgeving is er met name op gericht om een incident te voorkomen. In algemene zin kan gesteld worden dat deze preventieve focus terug te vinden is in de casuïstiek: er zijn in Nederland geen transportongevallen bekend waarbij sprake is van een grootschalige uitstroming tijdens transport met effecten in de omgeving (externe veiligheid).

Afsluitend wordt indien mogelijk een aanzet gedaan tot het geven van een voorkeursvolgorde vanuit veiligheidsoptiek voor transport per waterstofdrager. De keuze voor modaliteit hangt ook van andere factoren af, zoals beschikbaarheid modaliteit, bereikbaarheid, klantwens, volumestroom, etc.

Metadata

  • Opdrachtgever: Ministerie Infrastructuur en Waterstaat
  • Auteur(s): Adviesgroep SAVE
  • Datum laatste actualisatie: Februari 2026

Welke randvoorwaarden en beperkingen zijn er als het gaat over de effectieve toepassing van een voorbeeld? 

Het onderzoek richt zich op bulkvervoer van waterstof en potentiële waterstofdragers. Het lossen van een zeeschip valt specifiek binnen de scope van dit rapport: dit is feitelijk geen vervoersmodaliteit, maar vanuit het oogpunt van risico wil IenW dit proces graag meenemen in deze studie. 

Het bunkeren van schepen valt buiten de scope. Het onderzoek richt zich op de situatie binnen Nederland (op het land), mogelijke incidenten op zee vallen buiten de scope van dit onderzoek. 

Tenslotte valt de kans op het voorkomen van een incident buiten de scope. Ten behoeve van de onderzoeksvraag is wel gewerkt met een inschatting van de kans op een incident zonder in te gaan op maatregelen om de kans te reduceren.